Herder – Fergean

Posted in reviews with tags , , , , , , , on augustus 22, 2016 by addergebroed

Herder! Harder! Feller! Zwaarder! Grofgebekt met een arrogante knipoog. I love it. “Fergean” is het derde full album van dit zooitje ongeregeld, genoemd naar een zakmes. Volgens Google is fergean oud Fries voor vergaan, wegteren en omkomen. De plaat zelf zal niet gauw in vergetelheid verdwijnen, daar Herder een erg stevige indruk nalaat. Onmiddellijk als “Evasion of truth” inzet, valt op hoe hard de band lijkt op het Antwerpse Your Highness – of omgekeerd. Maar waar onze hoogheiden hun swingende rock ‘n roll tunes afwisselen met een bluesachtige ondertoon, wisselt Herder ze in voor meer sludge en metal. Zo bevat “Radiating silence” melodieuze riedels die ontleed zijn aan Iron Maiden. In “Everlasting pace” komt wat meer stoner bovendrijven en klinkt de band als een minder rommelige versie van Electric Wizard. Het zal Herder geen ruk uitmaken of ze al dan wel of niet origineel uit de hoek komen. Ze mixen een hele hoop stijlen door elkaar en stompen knalhard in je maag. Een snuif hardcore mag zeker niet ontbreken en daarvoor zorgt zanger Ché Snelting, die met zijn fenomenale strot tot een van de betere in het genre is. Het is erg lang geleden dat een zanger zo overtuigend was. Wereldklasse! De heren van Herder lopen hoog op met hun vintage versterkers en oud gitaarmateriaal. Daarom vond ik het verrassend dat “Fergean” erg fris en modern klinkt, wat geen kritiek is. De productie is zuiver, vol en hakt erop los. Zelf was ik maar matig bekend met voorgangers “Herder” (2011) en “Gods” (2014). Voor mij is “Fergean” een van de revelaties van het jaar. Kort. Maar intens. Binnenkort op tour met Black Tusk; ga dat zien! Flp: 85/100.

Herder – Fergean (Reflections Records 2016)
1. Forgone conclusions
2. Evasion of truth
3. Radiating silence
4. Grand precipitation
5. Everlasting pace
6. All is lost
7. No one is spared in the end

Ellorsith/Mannveira – Split

Posted in reviews with tags , , , , , , , , , , , , on augustus 21, 2016 by addergebroed

Voor deze split hebben het voor mij onbekende Canadese (of is het Engels?) death metalgezelschap Ellorsith en het IJslandse Mannveira de handen in mekaar geslagen om zevenentwintig minuten sonisch geweld op tape vast te leggen, waarbij beide bands twee tracks voor hun rekening nemen. De Canadezen trekken het zaakje op gang met hun duistere, occult klinkende death metal, waarin bij momenten wat black metal franjes te bespeuren vallen. Dissonante gitaarpartijen en midtempo drumwerk kenmerken “Jerome I”, hoewel er naar het einde nog een spurtje getrokken wordt. “Jerome II” schiet dan weer meteen een pak sneller uit de startblokken met afwisselend bruut zagend en dissonant gitaarwerk, maar weet mij niet over de gehele lijn te overtuigen: de diepe grunts zijn vrij eentonig en voor mij mag dit soort doodsmetaal nog wel iets smeriger en orthodoxer uit de boxen knallen, zoals een Grave Miasma dat overtuigend weet te doen. En de inleidende samples brengen daar niet echt verandering in. Liefhebbers van de band kunnen gerust de eerder opgenomen EP “1959” ook eens opsnorren. De twee nummers die Mannveira ons brengt, liggen in het verlengde van de “Von er eitur” demo uit 2014. Nog steeds kan Mannveira tot op zekere hoogte als het kleine broertje van Svartidauði en Sinmara beschouwd worden, hoewel ze voor een meer directe en eerder rechtlijnige aanpak kiezen en het dissonante op een track als “I augum hans sá ég dauðann” wat naar de achtergrond verdwenen is. Het grotendeels midtempo “Óður til einskis” weet dan weer te verstikken en een beknellend gevoel op te wekken maar heeft ook oog voor de nodige melodie. Bandleider Illugi heeft ondertussen vier extra mankrachten gerekruteerd zodat ze tijdens hun aanstaande tour met Wormlust de buitenlandse podia onveilig kunnen maken. De bassist en beide gitaristen zijn weggeplukt bij stoner/sludge act Naught en drummer Orlygur knuppelt onder andere ook bij Naðra. Achter de studioknoppen zat D.G. ondertussen welbekend van Misþyrming, Naðra, Skáphe en Martröð. Persoonlijk ligt de black metal van Mannveira me iets beter dan de death metal van Ellorsith, maar dat zou voor jou natuurlijk best wel eens andersom kunnen zijn. Leuke split!

JOKKE: 77/100 (Ellorsith: 74/100 – Mannveira 80/100)

Ellorsith/Mannveira – Split (Dark Descent Records 2016)
1. Ellorsith – Jerome I
2. Ellorsith – Jerome II
3. Mannveira – I augum hans sá ég dauðann
4. Mannveira – Óður til einskis

Michael Rekevics – Prefereert eerlijkheid boven aanstellerij of pose

Posted in interviews with tags , , , , , , , , , on augustus 21, 2016 by addergebroed

Een paar maanden  geleden ontmoette ik de Amerikaan Michael Rekevics in de Antwerpse Kavka toen hij op tour was met Yellow Eyes. Hoewel hij zijn identiteit niet verbergt achter een welluidend pseudoniem zoals Frost of Hellhammer, is hij toch een opmerkelijke drummer. Wat Michael van vele andere black metal drummers onderscheidt, is zijn ongetemde energie en rauwe, primaire en agressieve speelstijl. We vinden de Amerikaan op de drumkruk terug bij tal van USBM bands (Fell Voices, Vorde, Yellow Eyes, Vanum, etc.), maar daarnaast is Michael ook een multi-instrumentalist, wat hij bewijst met zijn éénmansbands Sleepwalker en Vilkacis. Omdat interviews met zijn bands schaars zijn, leek het me de ideale gelegenheid om Michael eens wat vragen voor te schotelen omtrent al zijn bands en projecten. Daar hij zo’n bezige bij is, heeft het dan ook nog enkele maanden geduurd vooraleer zijn antwoorden in mijn mailbox terecht kwamen. (JOKKE)

michael1(c) Jack Crosbie

Hi Michael! Laten we van start gaan met Yellow Eyes, de in New York gevestigde black metal band, die je in de loop van vorig jaar vervoegde ter vervanging van drummer Jon Chamberlin. Je dook de studio in met de Skarstad broers wat resulteerde in de release van “Sick with bloom” (Gilead Media), meteen ook het hoogtepunt in de Yellow Eyes discografie. Hoe ben je bij de band terecht gekomen en hoe verlief de Europese tour?
Ik ben al geruime tijd bevriend met Yellow Eyes. Ze deelden regelmatig de affiche met Vorde, Vilkacis en Fell Voices waardoor een gemeenschappelijke band tussen ons ontstond op vlak van gevoel en benadering van kunst en muziek. We voelden ons een soort outsiders binnen de dominante metal “scene” en groeiden op een natuurlijke manier naar mekaar toe als samenwerkers. Toen Jon aankondigde dat hij naar Californië wou verhuizen, vroegen ze me initieel enkel om de drums in te spelen op “Sick with bloom“. Ik ging de uitdaging meteen aan, maar was me er ook wel degelijk van bewust dat mijn drumstijl in vrij groot contrast staat met de techniciteit van Jon zijn speelstijl. Tijdens het schrijf- en repeteerproces werd me echter duidelijk dat de Skarstad broers gretig waren om samen met mij te schrijven in plaats van me enkel als menselijke drummachine te gebruiken waardoor ik al snel een vast bandlid werd in plaats van een sessielid. Het daaropvolgende tourproces is immens positief verlopen, waardoor ik er enorm naar uitkijk om met hen aan nieuw materiaal te werken.

Je bent het meest gekend als drummer van Fell Voices. Na het wereldwijde succes van Wolves In The Throne Room, begon de zogenaamde Cascadian black metal stijl uit zijn voegen te barsten. Samen met Ash Borer, bracht Fell Voices meerdere fantastische releases uit voor zij die het graag iets rauwer hebben vergeleken met Wolves In The Throne Room. Het laatste Fell Voices album (“Regnum saturni“) dateert alweer uit 2013. Wat is de status van de band? Is er een nieuwe plaat op komst?
Vooraleer op je vraag te antwoorden toch even meegeven dat Fell Voices zich nooit profileerde als een “Cacscadian” black metal band. De term “Cascadian” verwijst naar een specifieke geografische regio die zich uitstrekt van het Noord-Westen van de Verenigde Staten tot de Zuid-Westelijke hoek van Canada. Wij zijn ontstaan in Santa Cruz (California), HONDERDEN kilometers verwijderd van zelfs de meest zuidelijke uitloop van de Cascadian bergketen. Fell Voices als “Cascadian” bestempelen zou hetzelfde zijn als een band van Amsterdam bestempelen als Iberische black metal band. Totaal absurd!
Dit terzijde is er inderdaad vooruitgang met het nieuwe album, zij het enorm traag. Het schrijfproces bij Fell Voices verloopt erg organisch en collectief en wordt gekenmerkt door herhaling, improvisatie en voortdurende herziening. Het is niet zo simpel als één persoon die al het materiaal schrijft en dit de anderen aanleert, zoals bij andere bands waarvan de bandleden ver uit mekaar wonen. Het feit dat ik aan de andere kant van de Verenigde Staten woon, gekoppeld aan alle niet muziekgerelateerde verplichtingen, maakt het moeilijk om met enige consistentie aan de nieuwe plaat te schrijven. Dat gezegd zijnde, is Fell Voices zeker niet gedaan voor mij. Het spelen bij deze band is absoluut uniek ten opzichte van alle andere projecten waarbij ik betrokken ben en ik denk dat we allemaal de intensie hebben ons collectieve werk verder te zetten, zelfs als het de nodige tijd zal vragen.

Ondanks de radiostilte van Fell Voices tijdens de afgelopen jaren, heb je je volgers wel nog weten plezieren met twee andere bands, zijnde Vilkacis, waarmee je het rauwe “The fever of war” uitbracht en Vanum, een samenwerking met Kyle Morgan (Ash Borer en Predatory Light), wat in 2015 resulteerde in de schitterende “Realm of sacrifice” plaat die uitkwam op Profound Lore. Hoewel beide bands als ruwe, doch atmosferische black metal omschreven kunnen worden, wou ik graag weten waar voor jou persoonlijk het verschil ligt tussen Vilkacis en Vanum. Vanwaar de drang om de Vilkacis plaat uit te brengen, daar er toch heel wat parallellen getrokken kunnen worden met het werk van Fell Voices?
Elk project waarin ik betrokken ben, is uniek omwille van de welbepaalde groep mensen die erin samenwerkt (of het ontbreken daarvan zoals bij Vilkacis). Hoewel er dus een zekere mate van sonische gelijkenissen te bespeuren valt, verschilt de chemie van elk van de projecten dus wat mij betreft. Daarenboven zijn zowel Vanum als Vilkacis vanuit compositorisch standpunt veel meer “song” gericht dan Fell Voices. Daar waar Fell Voices meer en meer richting een onverzettelijke minimalistische en pure krachtinspanning opschoof, gefocust op gevoel en hypnotiserend effect, gaan de twee andere, meer recentere projecten, eerder op zoek naar een grotere melodieuze en structurele dynamiek. Naarmate meer werk uitgebracht wordt door beide bands, zullen de verschillen in benadering en intentie volgens mij nog duidelijker worden. Vilkacis is van alle projecten absoluut de meest moedwillig beperkte qua speelruimte, daar grotendeels gebonden aan een single-minded nadruk op krachtige en elementaire melodieën, die de sleutel tot elke song vormen. Vanum, echter, verkent meer en meer het potentieel van textuur en zowel ritmische als structurele variatie als verhalend en emotioneel element.

vilkacis-europa
(c) Invisible Oranges Instagram

Welk project beschouw je zelf als het meest dierbare? Ik kan veronderstellen dat – hoewel allemaal op de één of andere manier met elkaar verbonden – er een verschil in persoonlijke voldoening en ontwikkeling als muzikant bestaat, afhankelijk van het feit of je enkel als drummer actief bent en geen deel neemt aan het schrijfproces of wanneer je zelf voor alles verantwoordelijk bent in je éénmansbands? In welke projecten ben je actief bij het schrijfproces betrokken?
Ik kan niet zeggen dat één welbepaald project het belangrijkste voor mij is. Zoals eerder gezegd, reflecteert elke band een unieke relatie tussen mijzelf en de andere leden, waardoor elke samenwerking onderscheidend en waardevol is voor mijn creatief proces. Ik tracht actief bij te dragen tot het schrijfproces van elke band waar ik deel van uitmaak, waardoor elk project een aspect van mijn zelfexpressie reflecteert en een bewijs naar buiten draagt van mijn persoonlijke bijdrage.

Enkele van je bands hebben New York als uitvalsbasis, terwijl andere gesitueerd zijn in Californië. Waar woon jij en maken de afstanden het niet moeilijk om te reizen afhankelijk van de band waar je mee optreedt, opneemt of repeteert?
Ik woon sinds zes jaar in New York, maar ben oorspronkelijk afkomstig van Californië. Fell Voices ontstond in Santa Cruz (Californië) en mijn bandmakkers leven nog in die buurt. De live muzikanten van Vanum wonen allen verspreid over het westen van de Verenigde Staten. Hoewel het wel degelijk een dure en tijd consumerende bezigheid is om alle bands gaande te houden, is de connectie die ik met de andere individuen als vriend of muzikant heb uiteindelijk veel belangrijker dan gemakzucht of functionaliteit.

Een project dat zich enigszins onderscheid van de rest is Sleepwalker. Hoewel dikwijls omschreven als black metal met ambient en post-rock invloeden, zei je me dat je het zelf eerder als indie rock beschouwt. Na enkele draaibeurten van de vinyluitgave van je demo uit 2010 versta ik beter waarom je er dit label aan ophangt, vooral in het akoestische “Dead moon“. Welk doel had je voor ogen met het oprichten van Sleepwalker en welke invloeden zijn er merkbaar? Waarom beschouw je Sleepwalker als indie rock?
Het conceptueel begin van zowel Vilkacis en Sleepwalker gaat terug naar de Letse mythologie waaraan de bandnaam Vilkacis ontsproten is. De mythe van de vilkacis (letterlijke vertaling: “wolfsogen”), zoals ze mij verteld werd, handelt over een weerwolfachtige geest die uit de dromen van een sterfelijk individu ontstaat en gedurende de nacht een ravage aanricht om pas bij ochtenddauw terug te keren en te dematerialiseren in het onderbewustzijn van de dromer. Ik werd in het verhaal aangetrokken door zowel het ontbreken van fysische transformatie als de helende functie die het beest leek te hebben in het omgaan met psycho-spirituele onderdrukking. Er lag een zekere intelligentie en nuance in deze mythe die ik grotendeels vond ontbreken in de andere weerwolf mythologieën die ik voorhaan had gelezen. In 2007 werd deze mythe de centrale tekstuele en thematische focus voor mijn toenmalige nieuwe project Sleepwalker. Oorspronkelijk had ik de intentie om dit project Vilkacis te dopen, maar verkoos uiteindelijk een iets subtielere naam die beter pastte bij de sonische kwaliteiten waarmee ik aan het werk was: de droom die het beest voortbrengt eerder dan het beest an sich. De logica verder trekkend, omvat Vilkacis de andere kant van het spectrum: geheim, gewelddadig en onverzettelijk, zoals het beest zich manifesteert.
Muzikaal gezien vormen mijn invloeden voor Sleepwalker voornamelijk de noise rock acts uit de late jaren ’80 zoals Sonic Youth en My Bloody Valentine ten tijde van “Isn’t anything“. Dat gezegd zijnde, vonden de atmosfeer en kracht van black metal onvermijdelijk ook hun weg naar het geheel. Ik denk dat ik ultiem op zoek was naar een soort van niet-idiomatische vrijheid die het black metal label niet noodzakelijk toelaat, vandaar de deels als grap bedoelde “indie rock” omschrijving. Ik erken en respecteer dat er een soort van code in black metal bestaat en dat een zuiverheid qua visie en doel daar belangrijk voor is. Ik wou niet lichtvoetig of onrespectvol omgaan met het genre en haar traditie waar ik een enorm respect voor heb. Ik denk dat dat een veel voorkomend probleem is bij tal van hedendaagse bands: de onmogelijkheid om zich te differentiëren tussen invloeden en de daadwerkelijke hechting aan een genre en traditie.

Ik kom niet dikwijls bij muziek uit die door sommigen als black metal omschreven wordt en door anderen als indie rock, wat het interessant maakt, omdat de meeste mensen muziek graag in hokjes onderbrengen. Bands zoals een Watain of een Marduk zien black metal gerelateerd aan duivelaanbidding. Vermits ik geen satanische referenties terug vind in je muziek – behalve misschien bij Vorde, wiens teksten handelen over occulte en gnostische onderwerpen – vroeg ik me af wat black metal voor jou betekent en welke definitie jij aan dit genre geeft? Naar welke niet-metal gerelateerde muziek luister je verder nogal?
Zonder overdrijven, staat black metal voor spirituele oorlog. De generieke kenmerken van metal zijn uiteindelijk van weinig belang voor mij. Wat mij aanspreekt en interesseer is de ecstatische spirituele traditie die veel van wat zich als black metal identificeert, onderbouwt: een traditie die de moderne idiomatische opvatting van “metal” voorafgaat, één die voor mij meer resoneert met de “Chöd“-rituelen van de boeddhistische en “Bön“-tradities of het “Sama“-ritueel van het soefisme. Het doorsnijden van het ego om tot een meer zuivere destillatie van je eigen geest te komen. Diezelfde zienswijze kan eveneens aangeboord en benaderd worden vanuit de perspectieven van satanisme of heidendom, persoonlijke esoterische oefeningen enzovoort.
Wat mijn non-metal muzikale smaak betreft, ben ik vooral geïnteresseerd in pure en onvolprezen expressie, wat zich in verscheidene vormen manifesteert. Ik probeer mezelf en mijn interesses niet te beperken tot het ghetto van deze homogene subcultuur. Het filosoferen even daar gelaten, is de muziek van Phil Lynott, Greg Sage en John Coltrane doorheen de jaren van grote betekenis voor mij geweest.

Tijdens mijn roadtrip door Noorwegen van vorig jaar werd me duidelijk waarom Noorse black metal bands inspiratie halen uit de natuur en de koude winters en iconische albumhoezen regelmatig gelijk staan aan gecorpsepainte individuen die in donkere bossen poseren. Hetzelfde geldt voor punk en hardcore bands die in een urbane/industriële omgeving opgroeien en bijvoorbeeld met graffiti bekladde muren als achtergrond voor bandfoto’s gebruiken. Waar haal jij – als black metal muzikant – inspiratie uit?
Mijn inspiratie komt voornamelijk eerder vanuit een innerlijke zoektocht dan van invloeden van buitenaf, hoewel je omgeving onvermijdelijk een zekere impact op je heeft. Hoewel het niet iets is dat ik toen perse probeerde vast te leggen, kan ik er niet omheen dat ik de invloed en aanwezigheid van de regenachtige en dichte mist van de kust in Santa Cruz, waar ik leefde, terug voel en hoor als ik naar de platen van Fell Voices en Sleepwalker luister. Dat gezegd zijnde voel ik uiteindelijk niet dat mijn locatie zo’n enorme impact heeft op wat ik tegenwoordig creëer. Ik woon nu in New York City en ik zou mijn huidige projecten nu niet meteen als “stads” of “industrieel” omschrijven.

Het lijkt me duidelijk dat je het grootste deel van je tijd muzikaal gezien op je drumstoel doorbrengt, hoewel je ook gitaar en basgitaar speelt. Beschouw je jezelf voornamelijk een drummer of eerder een multi-instrumentalist? Op welke leeftijd besloot je te beginnen met drummen en welk parcours heb je sindsdien afgelegd? Wie zijn je voornaamste inspiratiebronnen als drummer en wat trekt je zo aan in dit instrument?
Ik speelde eigenlijk al veel langer gitaar alvorens ik met drummen begon, maar uiteindelijk bespeelde ik beide instrumenten reeds als kind. Ik denk dat wat me toen aantrok tot drummen nog steeds datgene is waarom ik ook nu nog zo van het instrument hou: het fysische aspect ervan. Ik apprecieer de onverwijlde natuur van ritme. Het gebrek aan bemiddeling tussen de ideeën van woede en razernij en de heel echte fysische manifestatie van die idee. Er ligt een zuiverheid qua expressie in drummen.

Ik heb je twee keer live als drummer bezig gezien. De eerste keer was tijdens de tour van Fell Voices met Ash Borer in Ancienne Belgique en de tweede keer was tijdens de Europese Yellow Eyes tour. Hoewel muziek niet als een wedstrijd beschouwd dient te worden, prefereer ik Ash Borer op plaat iets boven Fell Voices, hoewel jullie live set ongemeen intens was en die van jullie vrienden oversteeg. Tot op de dag van vandaag heb ik nog nooit een drummer zo intens aan het werk gezien. Niet alleen was je voortdurend als een gek over je drums aan het rossen, je was tegelijkertijd ook je longen uit je lijf aan het screamen – zonder gebruik van een microfoon – waarbij de primaire screams zelfs nog boven de muzikale razernij uitkwamen en me perplex deden staan. Wat me zo in je drumstijl aanspreekt is dat je niet lijkt te drummen met je verstand maar met je hele lijf, wat duidelijk werd bij het aanschouwen van je spieren en lichaam die duidelijk afzagen tijdens de intense snelheid waarmee je aan het performen was.
Mijn manier van drummen is simpelweg een verlenging van wat ik onder black metal versta: black metal IS oorlog! Als het geen pijn doet, doe ik het niet goed. Voor mij is dat gevoel van totale toewijding en opgave absoluut noodzakelijk om me in die staat te krijgen die ik wil bereiken.

michael2(c) Stefan Raduta

Tijdens je Yellow Eyes set merkte ik op dat je misschien niet de meest metronoomvaste drummer in de scene bent – wat ook niet perse altijd noodzakelijk is – maar dit is op een bepaalde manier charmant en het past goed bij de ruwe en ongetemde muziek van zowel Fell Voices als Yellow Eyes. In vergelijk met vele death metal muzikanten die dikwijls onafgebroken staan te headbangen of over het podium hossen, beweegt het merendeel van de black metal muzikanten amper wanneer ze live optreden, en lijken ze zich daarbij eerder te focussen op foutloos spelen dan in hun optreden op te gaan. Bij Yellow Eyes zouden jij en je drumstel vooraan op het podium moeten staan want terwijl de anderen vrij passief optreden, vraag en ontketen jij de meeste energie binnen de band. Vind je het in zekere zin niet spijtig dat de andere bandleden niet zo veel energie lijken te geven als jijzelf?
Ik speel met veel kracht omdat dat de manier is waarop ik moet spelen. Ik hoef of verlang hetzelfde niet van anderen. Bij black metal ga ik eerder op zoek naar focus en intentie dan naar energie. Ik ben niet noodzakelijk geïnteresseerd in entertainment of rock ‘n roll capriolen op het podium. Als gevolg hiervan ben ik dus niet teleurgesteld in het gebrek aan energie bij mijn bandmaten of hun niet-verbondenheid met het publiek. Ik prefereer eerlijkheid boven aanstellerij of pose.

Het moge duidelijk zijn dat je niet kan leven zonder muziek. Naast alle reeds eerder besproken bands, maakt Metal Archives nog vermelding van tal van andere – al dan niet nog bestaande – projecten zoals Astron Argon, Demencia, Mohoram Atta, Resin Hits en Skeleton Closet. Wat kan je hierover kwijt? Waar ben je momenteel nog zoal mee bezig?
Ik speel reeds vijftien jaar lang live met allerhande bands, waarvan een groot deel het vermelden niet waard is. Momenteel ben ik erg druk bezig met allerhande zaken. Ik heb juist het nieuwe Vilkacis album “Beyond the mortal gate” afgewerkt dat in de herfst zal uitkomen via Psychic Violence. Ruin Lust heeft het opnemen van een nieuwe plaat bijna afgewerkt. Vanum staat op het punt aan een nieuw album te beginnen. Vorde is intensief bezig geweest met het schrijven van een nieuwe langspeler. En Yellow Eyes heeft de bedoeling om zich aan nieuw materiaal te zetten zodra de korte US tour, die momenteel bezig is, achter de rug is. Buiten black metal, heb ik me de laatste jaren ook bezig gehouden met een project genaamd Grey Hell, wat een beetje een terugkeer naar mijn punk roots inhoudt. Verwacht enkele demo’s van dit project in de nabije toekomst!  

Bedankt voor het interview!
Jij bedankt! De interesse in mijn bands en projecten wordt oprecht gewaardeerd.

 

Mare Cognitum/Aureole – Resonance: Crimson void

Posted in reviews with tags , , , , on augustus 11, 2016 by addergebroed

Alleen is maar alleen, lijken Jacob Buczarski en Markov Soroka gedacht te hebben want beide einzelgängers hebben voor de gelegenheid de handen in mekaar geslagen, wat bij deze resulteert in een samenwerking tussen respectievelijk Mare Cognitum en Aureole. Voor die eerste zijn het drukke tijden want niet alleen is er een heruitgave van de tweede langspeler “An extraconscious lucidity” op vinyl (opnieuw met een gatlelijke hoes), ook de release van album nummer vier staat voor de deur, waarbij reeds twee veelbelovende appetizers van “Luminiferous aether” de kosmos ingeknald werden. Maar eerst is er dus nog de split met Aureole waarbij vooral opvalt welke vooruitgang deze eenmansband heeft doorgemaakt ten opzichte van het middelmatige debuut “Alunar” uit 2014. Hoewel beide bands atmosferische black metal met de nodige spacy invalshoek en interesse in het universum brengen, gaat het er bij Mare Cognitum een pak technischer, progressiever en bombastischer aan toe dan wat we van Aureole gewend zijn. In het eerste deel van de “Crimson abyss” bijdrage van Mare Cognitum kiest Jacob voor een eerder uitgesponnen, rustigere aanpak waarbij gezwollen keyboardlagen de sfeer zetten, hoewel naar het einde toe het tempo wordt opgedreven en blastpartijen de nodige gitaarsolo’s ondersteunen (en menigmaal aan Windir melodieën doen denken). In het kortere en meer gebalde tweede luik van “Crimson abyss” schiet Jacob uit zijn sloffen, met een zwaarder en agressiever geluid waarbij precies wat miniem riffjatwerk heeft plaatsgevonden van ons eigenste Wiegedood. Hierna is het de beurt aan Aureole, waarbij de productie meteen een paar gradaties groezeliger klinkt en op de snaresound een serieus tinnen blik-effect staat. De overheersende keyboard-ambient waart spookachtig doorheen de mid-tempo mysterieuze black metal van Markov. Wanneer het tweede deel van zijn “Void obsidian” aanbreekt, bereikt hij echter ook de supersonische drumcomputer snelheden van Mare Cognitum, waardoor we best van een ferme gedaantewisseling (en zelfs copy/paste-aanpak) mogen spreken, want ook de techniciteit en progressiviteit van het riffwerk zijn sterk toegenomen. Benieuwd welke koers Aureole in de toekomst zal varen. Na een deugddoende en bevredigende eenenveertig minuten zit de stoeipartij tussen beide bands erop en heb je zin in nog een rondje.

JOKKE: 83/100 (Mare Cognitum: 85/100 – Aureole: 81/100)

Mare Cognitum/Aureole – Resonance: Crimson Void (Fallen Empire Records 2016)
1. Mare Cognitum – Crimson abyss: NGC 2237
2. Mare Cognitum – Crimson abyss: NGC 2238
3. Aureole – Void obsidian: NGC 2244
4. Aureole – Void obsidian: NGC 2246

Cepheide – Respire

Posted in reviews with tags , , , , , , , on augustus 11, 2016 by addergebroed

Het Parijse Cepheide kwam al eerder op Addergebroed aan bod toen hun demo De silence et de suie onder de loep genomen werd. Ondanks de monotone vocalen hoorde ik wel het nodige potentieel in hun groezelige, doch atmosferische black metal. Nu het lichtjes fantastische Falen Empire Records het duo onder haar vleugels heeft genomen voor de vinylrelease van de reeds vorig jaar uitgebrachte EP “Respire” ben ik benieuwd te horen hoe Cepheide het er twee jaar na datum vanaf brengt. Beide Fransen – ondertussen zou de line-up verdubbeld moeten zijn zodat ze ook live aan het werk kunnen – schotelen ons twee erg uitgesponnen tracks voor van respectievelijk zeventien en negentien minuten speelduur, waardoor deze EP niet bepaald kort uitvalt. Nog steeds zijn de hysterische getormenteerde screams van zanger/drummer Gaetan even wennen, voornamelijk door de eentonigheid (ik vermoed nog steeds dat er geen échte lyrics aan te pas komen), maar het stoort me een pak minder. De monotone uithalen fungeren hier eigenlijk eerder als een extra laag/instrument in het atmosferische geheel dan dat ze een bepaalde boodschap willen uitdragen (alhoewel pijn en depressie nooit veraf lijken te zijn). Na een aanloopfase die wel ettelijke minuten in beslag neemt, krijgen we in “Le souffle brulânt de l’immaculé“ quasi voortdurend aan een hoog tempo voortrazende black metal te verteren die nog steeds een duidelijke link heeft met de Amerikanen van Fell Voices en Ash Borer, behalve op vocaal gebied dan waar eerder depressieve black metal paden verkend worden. De doomy ondertoon van de riffs in combinatie met de wanhoop van de zang, geven dit geweld een zekere tristesse mee. In “La chute d’une ombre” tapt Cepheide deels uit een ander vaatje, want deze song zwelt via sinistere ambient/drone en desolate gitaarecho’s, waarbij de spanning te snijden valt, gestaag aan tot een broeierige lavastroom aan majestueuze en epische black metal. Eens de opgekropte woede uit het systeem is, wordt de spanning middels post-rockachtige gitaren opnieuw opgebouwd om uiteindelijk te ontaarden in een broeierige apotheose waarin alle verkende stijlelementen samenvallen en je bij je nekvel grijpen. Op productioneel vlak werd lichte vooruitgang geboekt, hoewel het geheel nog steeds een overduidelijke underground waas en feel uitademt. Vrij onconventioneel voor dit type black metal is dat de basgitaar toch ook zijn plaatsje in het geheel opeist en deining in het gladde gitaaroppervlak veroorzaakt. Ook het begeesterende artwork mag niet onvermeld blijven. Zonder haar roots te verloochenen heeft Cepheide duidelijke stappen voorwaarts gezet en met “Respire” een meer dan interessante EP uitgebracht. Vooral de meer ambient/black benadering van de tweede song mag van mij in de toekomst verder uitgediept worden.

JOKKE: 82/100

Cepheide – Respire (Fallen Empire Records 2016)
1. Le souffle brulânt de l’immaculé
2. La chute d’une ombre

Ljáin – Endasálmar / Klofnar tungur

Posted in reviews with tags , , , , , on augustus 6, 2016 by addergebroed

Nu zijn we heel wat gewend bij Addergebroed, maar bij wat het IJslandse Ljáin (het inschakelen van de google translate hulplijn levert ons “zeisen” als vertaling op) ons voorschotelt, moeten we toch even gaan zitten, want dit is allerminst een hapklare brok luistermuziek. Op een tijdspanne van anderhalve week, stuurde dit mysterieuze gezelschap vorige maand twee digitale releases de wereld in. Omdat mijn beschadigde gehoor amper verschil hoort tussen beide demo’s, worden ze voor de gemakzucht samen onder de loep genomen. Zelf plaatst de band de tags “occult” en “ritual” voor hun black metal, maar wie zwartmetaal à la Ascension, Acherontas, Blaze Of Perdition en consoorten verwacht, is eraan voor de moeite. Ten eerste klinken voornoemde bands qua productie bijna afgelikt vergeleken met de groezelige krochtklanken die Ljáin produceert. Ten tweede zorgen de bakken feedback/echo/ijswindeffect waar de vocalen in ondergedompeld zijn voor een heuse DSBM sfeer en denken we eerder aan bands als Xasthur en Leviathan. Wie zich in de leefwereld van Ljáin wil verdiepen, raad ik aan een paar schoenen met stevige grip aan te doen, want bij het afdalen in de diepste spelonken van deze onnavolgbare maalstroom aan zwartgalligheid, ontbreekt elke vorm van houvast. Het semi-IJslandse Skáphe kan ook als referentiekader dienen, vooral op gebied van grilligheid qua muzikale vorm, want in termen van productie en vocalen luistert die band toch een pak beter weg (hoewel de doorsnee metalliefhebber hier toch ook wel al wenkbrauwgefrons bij zal vertonen). De horrorachtige suspense en de subtiele – vreemd om dit woord te gebruiken bij deze band – keyboardwaas die van de demo’s afdruipen, maken dat dit luistervoer is voor de nachtelijke uurtjes. Benieuwd wie dit thuis als feel good muziekje opzet.

JOKKE: 70/100

Ljáin – Endasálmar / Klofnar tungur (Eigen beheer 2016)

Endasálmar
1. Eilíf þjáning
2. Svartigaldur
3. Hlekkir holdsins
4. Endasálmar

Klofnar tungur
1. Klofnar tungur
2. Úr vansköpuðum draumum
3. Með blóði þínu

Ultha – Dismal ruins

Posted in reviews with tags , , , , , , , on augustus 3, 2016 by addergebroed

Vorig jaar bracht het Duitse Ultha het veelbelovende debuut “Pain cleanses every doubt” uit. Er waren nog wat werkpunten, maar het potentieel was er. De volgende stap richting stardom was een split met de Franse vriendjes van het fantastische Paramnesia. Door gezondheidsproblemen in de rangen van die band, werd de samenwerking echter op de lange baan geschoven, waardoor Ultha besloot om de twee songs, die exclusief voor de split bedoeld waren, nu toch reeds als EP met de mensheid te delen. Fijn gebaar. De eerste song “…And they carried death in their eyes” werd geschreven tijdens de opnameperiode van het debuut, maar laat toch een licht andere sound horen. De basis is nog steeds atmosferische, doch rauwe USBM in het straatje van Weakling, die nu echter door nieuwkomer A. opgefleurd wordt met de nodige keyboards. Nu kan het gebruik van toetsen binnen black metal een meerwaarde bieden indien ze correct (lees: subtiel) aangewend worden, maar het kan ook op een carnavaleske bedoening uitdraaien. Gelukkig is dat laatste niet het geval en zorgt de song voor een flashback naar jaren negentig black metal (Limbonic Art is dan al snel een referentie, hoewel de bombast wel een paar gradaties minder is), vooraleer de foute Duitse Last Episode bands de kop opstaken met hun symfonische Disney metal. Het andere nummer “Ghost walking” is een coversong van het Amerikaanse Mighty Sphincter, een deathrock/gothic legende, maar onbekend bij ondergetekende. Het origineel  inclusief heerlijk cheezy eighties clip dus maar eens opgesnord en Ultha heeft er een doomy trage versie van gemaakt die vrij bombastisch en apocalyptisch klinkt, opnieuw versterkt door het – deze keer massief – inzetten van keyboards en heroïsche samenzang. Later op het jaar zou de tweede langspeler moeten verschijnen, die opnieuw een zekere koers-wijziging in de sound zou moeten laten horen, evenals een split seven inch met de landgenoten van Morast. In de gaten te houden.

JOKKE: 73/100

Ultha – Dismal ruins (Vendetta Records 2016)
1. …And they carried death in their eyes
2. Ghost walking