dissection

Uada – Cult of a dying sun

Het kan verkeren. Na jarenlang aan te modderen met het middelmatige Ceremonial Castings, besluit Jake Superchi er in 2014 het bijltje bij neer te gooien en Uada op te richten. Vanuit het niets katapulteerde deze nieuwe act zich met debuut “Devoid of light“, en diens gemakkelijke verteerbare melodieuze black gecombineerd met een van het Poolse Mgła gepikt imago, naar een internationaal publiek. De hamvraag is natuurlijk of dit een lucky shot was of dat Uada een blijvertje is. Daar waar “Devoid of light” met een dik halfuur speeltijd eerder een teaser was, krijgen we nu met “Cult of a dying sun” en haar vijfenvijftig minuten een bovengemiddeld lange plaat voorgeschoteld waarop Uada kan bewijzen geen eendagsvlieg te zijn. Het nieuwe werk borduurt alvast lekker verder op de voorganger en dan meer specifiek op diens geweldige afsluiter “Black autumn, white spring“. We krijgen met andere woorden goed in het gehoor liggende meloblack met epische toets te horen waarbij Dissection meermaals als referentie opduikt (check die tweede single “Snakes & vultures“), maar ook de meer traditionele invloed van een Judas Priest is hoorbaar, ondermeer in de titeltrack die verder ook wel héél erg hard aan Mgła doet denken. Jake perst een gevarieerd scala aan vocalen (rauw, hees, woest, hoge screams, grunts) uit zijn stembanden waarbij hij meermaals aan een huilende wolf doet denken. Wanneer zijn stem de diepte in gaat, ligt het timbre me wel minder. Halverwege de plaat vormt “The wanderer” een instrumentaal rustpunt waarin akoestische gitaren en rituele gezangen de sfeermakers zijn. Nadien volgen nog drie lange epische nummers waarbij vooral “Sphere (Imprisonment)” er bovenuit springt omdat de gitaartandem Jake Superchi/James Sloan zich hier kan uitleven in mooie solo’s en melodieuze gitaarharmonieën. De baspartijen van nieuwkomer Edward Halpin eisen hun plaats in de mix op en qua sound, die iets properder en transparanter is vergeleken met de voorganger, ligt enkel de makke en platte snaredrum mij minder goed. Wel châpeau voor drummer Brent Boutte die slechts kortelings voor de opnames de band vervoegde om de aan de kant gezette Trevor Matthews (Pillorian) te vervangen. Ondertussen heeft Brent Uada echter ook verlaten en treffen we Josiah Babcock (evenals Halpin ook actief in Sjukdom) op de drumkruk aan. Benieuwd hoe lang deze line-up het gaat volhouden tijdens de lange weg richting stardom? Criticasters zullen het anonieme imago van de band – ook ik heb het ondertussen wel gehad met de nageaapte zwarte-kap-over-het-hoofd presentatie van menig black metal band – perfect weten te rijmen met een gebrek aan eigen identiteit, maar wat Jake en zijn kornuiten laten horen doen ze wel goed (en professioneel). En ze krijgen extra punten voor het artwork, opnieuw van de hand van onze landgenoot Kris Verwimp, en vormgeving van de platen die piekfijn tot in de kleinste details uitgewerkt zijn. Benieuwd of het derde en laatste deel van de trilogie ook via het sympathieke Eisenwald zal uitkomen of dat de band in tussentijd door een groot label zal ingelijfd worden. Uada heeft immers alles in huis om het te maken, maar ik vrees dat de band de komende jaren wel verder richting mainstream festival-black zal opschuiven. Moest dit pessimistisch scenario zich voordoen hebben we natuurlijk wel nog twee uitstekende platen om op terug te vallen.

JOKKE: 84/100

Uada – Cult of a dying sun (Eisenwald 2018)
1. The purging fire
2. Snakes & vultures
3. Cult of a dying sun
4. The wanderer
5. Blood sand ash
6. Sphere (Imprisonment)
7. Mirrors

Advertenties

Embrace Of Thorns – Scorn aesthetics

Toen ik als ukkie van 11 jaar de mysterieuze wereld van black metal ontdekte, was mijn blik vooral op het hoge noorden gericht. Ik vond het toen nogal een ridicuul idee dat deze duistere muziek ook in mediterrane landen zou worden gespeeld. Ik heb me met andere woorden nooit echt ondergedompeld in de oervaders van bv. de Griekse scene zijnde Rotting Christ, Necromantia, Varathorn, Kawir en Zemial. Stom natuurlijk. In de latere, meer occulte exploten van deze scene (Acherontas, Acrimonious, Serpent Noir, Thy Darkened Shade, …) ben ik beter thuis. Embrace Of Thorns heeft met haar mix van black, death en bestial war metal echter nooit in een bepaald hokje gepast. De band is sinds 1999 actief, na een jaartje eerder onder de naam Requiem geopereerd te hebben. Sinds de naamsverandering was de band vrij consistent qua muzikale output. Nu heeft het iets langer dan normaal geduurd, maar vier jaar na “Darkness impenetrable” valt het nieuwe “Scorn aesthetics” nu toch op de deurmat. Er is bitter weinig veranderd in het receptuur van de band want hun black metal wordt nog steeds met een zeer fikse scheut death metal en een snuifje war metal op smaak gebracht. Zo hoor je in opener “The wanderer and his shadow” ongetwijfeld de invloed van Morbid Angel doorschemeren. De vocalen klinken dan ook wat dieper en de sound wat zwaarder (hoor die bas maar eens ronken) dan de doorsnee black metal band. Melodieuze partijen en mid-tempo nummers (bijvoorbeeld “Reducto ad absurdum” dat een Deströyer 666-achtige solo bevat) worden afgewisseld met beukende dubbele basritmes (“Mutter aller Leiden” of de titeltrack) of opzwepend snel geschut. “In our image, after our likeness” is met haar negen minuten speeltijd en ingebouwde spoken word-samples de langste en meest epische track van het album. Met de dynamiek zit het alvast helemaal snor. Volgens de heren is het feit dat ze de voorbije twintig jaar voor velen noch vis noch vlees waren, de verklaring voor het feit dat de band nog vrij diep in de underground verscholen zit. Hoewel Embrace Of Thorns nog nooit zo goed geklonken heeft en er best een paar knallers op “Scorn aesthetics” prijken (“Stoking the fire of resentment” en de opener), kan ik me in deze redenering slechts deels vinden. Een grotere oorzaak voor hun onbekendheid is het songmateriaal dat niet genoeg blijft plakken en te weinig beklijft. Het niveau van de aangehaalde referentiebands (voeg hier gerust ook oude Celtic Frost, Dissection en Incantation aan toe) wordt dan ook nergens geëvenaard.  De songschrijvers Herald of Demonic Pestilence en Archfiend DevilPig zullen dus nog een tandje moeten bijsteken als ze echt potten willen breken.

JOKKE: 72/100

Embrace Of Thorns – Scorn aesthetics (Iron Bonehead Productions 2018)
1. The wanderer and his shadow
2. Mutter aller Leiden
3. Reducto ad absurdum
4. Stoking the fire of resentment
5. Scorn aesthetics
6. In our image, after our likeness
7. Wolf uncaged _ Prometheus unbound

Elände – Dödens rike

Elände is een trio dat opereert vanuit het Zweedse Göteborg en mijn aandacht trok omdat drumster Trish (ex-Asagraum, ex-Isvind, ex-Nattefrost, ex-Djevelkult) als vellenmepster actief is in de band. Na een demo en een split met Svärta brachten de heren en dame recent hun eerste langspeler “Dödens rike” uit, een plaat die in een half uur tijd de oude black metal dagen van midden jaren negentig doet herleven. In een song als “Det ögat döljer” moet ik qua sound (rauw maar eigenlijk vrij warm) en atmosfeer terugdenken aan de Thy Primordial plaat “Under iskall trollmåne“, hoewel de prominent aanwezige vocalen van gitarist Ve wel bijtender en snijdender zijn. En wanneer Trish het tempo omhoog jaagt, hoor ik ook wel wat Setherial ten tijde van hun debuut “Nord…” terug. Mid-tempo songs zoals opener “Blodmåne” en sneller werk in de vorm van het aanstekelijke “Preludium” en “Gengång” gaan hand-in-hand en er wordt soms ook binnen eenzelfde nummer met sterk uiteenlopende tempo’s gespeeld. Zo start “Det ögat döljer” met een simpele maar effectieve rockende riff alvorens het tempo en de gitaren snediger worden. Hoewel de meeste songs compact van opzet zijn, is er af en toe ruimte voor een akoestische passage, maar het meest nadrukkelijk komen de akoestische snaren aan bod in het zeven minuten durende “In i tomheten” dat erg slepend van opbouw is en waarbij een in-een-loop-gezette-melodie de melancholische toon minutenlang zet. Alzo komt er een mooi einde aan een fijne plaat die absoluut niets nieuws onder de zon laat horen maar liefhebbers van midden jaren negentig (Zweedse) black – zonder Dissection invloeden deze keer – absoluut zal kunnen bekoren.

JOKKE: 80/100

Elände – Dödens rike (Craneo Negro Records 2018)
1. Varsel
2. Blodmåne
3. Preludium
4. Den värld som var
5. Invokation
6. Det ögat döljer
7. Gengång
8. In i tomheten
9. Stillhet

Necrophobic – Mark of the necrogram

Het Zweedse Necrophobic heeft ondanks haar lange carrière (de band werd in 1989 opgericht!) altijd wat in de schaduw van grotere acts als Dissection, Dark Funeral en Watain gestaan. Om één of andere reden heb ik de band nooit op de voet gevolgd waardoor maar een paar platen me goed bekend zijn. Met het nagelnieuwe “Mark of the necrogram” presenteren drummer Joakim Sterner – die er reeds van in het begin bij is -,  de sinds 2016 teruggekeerde gitaartandem Sebastian Ramstedt en Johan Bergebäck, bassist Alex Friberg en zanger en oudgediende Anders Strokirk – die te horen was op het debuut “The nocturnal silence” – hun achtste langspeler die een schot in de roos is. Of de terugkeer van Anders er voor iets tussen zit, weet ik niet maar de nieuweling doet me erg denken aan de eerste twee (en voor mij meest bekende) platen ook al is de productie natuurlijk moderner (en voor sommigen waarschijnlijk té afgelikt). Het kwintet klinkt gedreven en laat de ene na de andere overtuigende song op de luisteraar los. De melodieuze gitaarriffs van de titelsong zetten de vlam meteen in de pan en doen op vocaal gebied ook denken aan Naglfar, hun landgenoten die in hetzelfde vaarwater opereren. De toegankelijkheid van het aanstekelijke, met overduidelijke Dissection harmonieën doorspekte “Tsar bomba” valt niet te ontkennen en bezit het nodige hitpotentieel om de band tot bij een breder publiek te brengen. Hierna volgen de nummers “Lamashtu” en “Sacrosanct” die er qua hitgevoeligheid bijna lijnrecht tegenover staan en meer black metal invloeden laten horen, hoewel melodieuze riffs en harmonieuze gitaarsolo’s ook hier alomtegenwoordig zijn. “Requiem for a dying sun” legt het meeste dynamiek aan de dag en klinkt mede daardoor epischer en dreigender. Het felle, uptempo “Crown of horns” is opnieuw erg schatplichtig aan Dissection of je dat nu erg vindt of niet. “From the great above to the great below” vat nog eens samen waar Necrophobic anno 2018 (en eigenlijk al heel haar carrière lang, zo leerde me het dieper uitpluizen van hun discografie) voor staat: melodieus/extreem metalgeweld van de bovenste Zweedse plank.

JOKKE: 85/100

Necrophobic – Mark of the necrogram (Century Media 2018)
1. Mark of the necrogram
2. Odium caecum
3. Tsar bomba
4. Lamashtu
5. Sacrosanct
6. Pesta
7. Requiem for a dying sun
8. Crown of horns
9. From the great above to the great below
10. Undergången

Chaos Invocation – Reaping season, bloodshed beyond

Met bands als Acherontas, Ascension, Fides Inversa, Acrimonious en Inferno onder haar hoede kan je het Duitse World Terror Committee gerust als het Mekka voor occulte en/of orthodoxe black metal beschouwen. Misschien minder bekend dan de aangehaalde bands, maar daarom niet minder bemind, en toch al drie platen lang bij WTC gehuisvest, is het Duitse Chaos Invocation. Op debuutplaat “In bloodline with the snake” uit 2009 klonken onze oosterburen nog als het kleine broertje van Watain, maar met opvolger “Black mirror hours” uit 2013 wisten ze mijn zwartgeblakerde hart voorgoed te veroveren. Daarna bleef het echter verdacht stil rond de band totdat vorig jaar een eerste teken van leven verscheen middels de split met labelgenoten Thy Darkened Shade. De band rond A. (gitaar) en M. (zang) had zich lange tijd teruggetrokken in het repetitiehok om aldaar aan de blijkbaar moeilijke derde langspeler te werken. Ondertussen werden de troepen ook herschikt en treffen we nu drumheerser Gionata Potenti (deze man behoeft geen introductie meer) in de line-up aan die in zijn kielzog Darvaza- en Fides Inversa-collega Tumulash op basgitaar meebracht. De kwaliteit die op “Black mirror hours” te horen was, is gelukkig na al die tijd niet weggeëbd, wat bewijst dat Chaos Invocation nog steeds een duivelseskadron is om rekening mee te houden. De black metal wordt ter meerdere eer en glorie van de Gehoornde gebracht en is met een gezonde portie Dissection-melodie geïnfuseerd. Dat resulteert in pakkende songs zoals het catchy “Obsession is always the answer” en het creatieve “Menskindrums of doom” waarbij ritualistische en melodieuze passages hand-in-hand gaan. Is “Reaping season, bloodshed beyond” dan een herhalingsoefening van de vorige langspeler geworden? Niet helemaal, want de aandachtige luisteraar merkt toch op dat er iets meer progressieve elementen in de volwassen songstructuren geslopen zijn. De mannen van Chaos Invocation vertonen vakmanschap op gebied van songwriting waarbij er duidelijk oog is voor interessante bruggetjes en onverwachte wendingen. Tevens wordt er nog steeds geëxperimenteerd met cleane vocalen, een uitprobeersel dat echter niet altijd volledig in smaak valt bij ondergetekende. Zo zijn de cleane gezangen in “Blackmoon prayer” op het randje van tenenkrommend. Dit is echter een héél kleine smet op het blazoen van een voor de rest beresterke en overtuigende plaat.

JOKKE: 88/100

Chaos Invocation – Reaping season, bloodshed beyond (World Terror Committee 2018)
1. Where hearts shall not rest
2. Calling from Dudail
3. To fathom the bloodmist
4. Menskindrums of doom
5. Obsession is always the answer
6. The search of keys and gates
7. Blackmoon prayer
8. Luciferian terror chorale
9. Chaos invocation
10. Bloodshed beyond
11. Ajna assassins absolute

Watain – Trident wolf eclipse

Het grote Watain heeft iets goed te maken. Bij ondergetekende althans, want de vorige langspeler “The wild hunt” – uit 2013 alweer – werd hier maar lauw ontvangen. Het leek alsof het trio niet goed wist van welk hout pijlen maken en een kleine identiteitscrisis doormaakte. Enerzijds stonden er de typische volbloed black metal nummers op de plaat die echter matige doorslagjes waren van ouder werk en met “They rode on” en de titeltrack gingen de Zweden de experimentele tour op, iets wat ik persoonlijk wel kon smaken maar onvoldoende was om de plaat te redden. Na het verschijnen van “The wild hunt” tourde Watain zich kapot en werd het hoogtijd om de batterijen op te laden. Het heeft dan uiteindelijk ook vijf jaar geduurd alvorens we nieuw plaatwerk van één van de meest succesvolle Zweedse black metal grootmeesters mochten verwachten. Wat meteen opvalt aan “Trident wolf eclipse” is de korte speelduur, want met acht songs in vijfendertig minuten speeltijd is dit de kortste Watain plaat ooit geworden. Verwacht dus geen epische songs als “Waters of ain“, “They rode on” of “Stellarvore” meer. Watain keert meer dan ooit naar haar pure black metal roots terug ten tijde van “Rabid death’s curse” en “Casus luciferi“, iets wat de ondertussen afgehaakte fans misschien wel terug over de streep kan trekken. Daarenboven zijn de songs compact van structuur, van overbodige franjes ontdaan en gestript tot op het bot. In de opzwepende opener “Nuclear alchemy” raast Watain als nooit tevoren en wordt de toon meteen gezet voor een dik half uur zwartgeblakerde agressie waar de geest van Dissection nog steeds onmiskenbaar doorheen waait, hoewel de band minder melodieus klinkt dan op haar laatste platen. Eén van de sterktes van Watain is dat ze in elke song wel een catchy hook of refrein inbouwen waardoor de nummers blijven hangen, zelfs na een eerste luisterbeurt. Op “Trident wolf eclipse” is dat iets minder prominent het geval en duurt het daardoor ook langer alvorens elke song haar eigen identiteit blootgeeft. Na meerdere luistersessies blijken de sterkste nummers met “A throne below” (de song met het meeste ruimte voor melodie), het dynamische en van een angstaanjagende intro voorziene “Towards the sanctuary” en de mid-tempo afsluiter op de B-kant van de plaat te staan. De kern van Watain bestaat nog steeds uit de drie oerleden P. Forsberg (gitaar), E. Danielsson (zang, bas) en H. Jonsson (drums), hoewel die laatste live niet langer van de partij zal zijn en zijn plaats op de drumtroon ingenomen wordt door E. Forcas (Degial, Repugnant). De heren Alvaro Lillo (bas) en Set Teitan (gitaar), die sinds jaar en dag deel uitmaken van de live line-up, zijn ook op “Trident wolf eclipse” te horen en in het nummer “Ultra (Pandemoniac)” draven H. Death (Degial, Unpure, Vorum) en Attila Csihar (Mayhem) als gasten op om de song van respectievelijk een gitaarsolo en extra demonische vocalen te voorzien. Naar goede gewoonte werd het album ingespeeld in de befaamde Necromorbus Studio en valt er soundgewijs geen kritiek te geven. Bij de prachtig vormgegeven box-editie zit – naast allerlei leuke hebbedingetjes – een interessante 7″ EP waarop het experimentele, in het Zweeds vertolkte buitenbeentje “Antikrists mirakel” – en haar achterstevoren af te spelen versie – prijkt. Concluderend kan ik stellen dat Watain me met “Trident wolf eclipse” terug heeft kunnen overtuigen van haar kunnen. Benieuwd wat dat live gaat geven in de 013!

JOKKE: 85/100

Watain – Trident wolf eclipse (Century Media Records 2018)
1. Nuclear alchemy
2. Sacred damnation
3. Teufelsreich
4. Furor diabolicus
5. A throne below
6. Ultra (Pandemoniac)
7. Towards the sanctuary
8. The fire of power

Malakhim – Demo I

Nog steeds verschijnt er maandelijks wel één of andere demo van een nieuwe veelbelovende band. In oktober viel die eer te beurt aan Malakhim, een gloednieuwe speler in de overbevolkte Zweedse black metal scene. De fysieke cassette was op één dag tijd uitverkocht, maar gelukkig brengt Iron Bonehead weldra ook de CD- en vinylrelease uit. De vijf vrienden die in 2015 in Umeå een duivelspact smeedden, verdienden hun sporen in tal van andere acts waarvan Andreas Nilsson met Naglfar en Ancient Wisdom ongetwijfeld voor de bekendste namen optekent. Het kwintet heeft een duidelijke duivelse visie wat zich ook middels de bandnaam manifesteert. “Malakhim” betekent immers zo veel als “engel” of “boodschapper” in het Judaïsme; een satanische wel te verstaan. Het eerste wat opvalt bij het beluisteren van de drie songs is de overweldigende sound. Dit is verre van demokwaliteit! Hulde dus aan Marcus Norman (Naglfar, Ancient Wisdom, Bewitched) die instond voor de productie en mastering in zijn Wolf’s Lair studio. De snelle Zweeds klinkende (hoe kan het ook anders) black metal knalt krachtig uit de boxen en geeft je een kwartier durend oplawaai tegen je voorgevel. Opener “A thousand burning worlds” bevat een Grieks aandoende twin lead gitaarpartij maar laat voor de rest toch voornamelijk een orthodoxe inslag horen. De vocalen van E. klinken erg sterk en de semi-cleane woorden die hij tussen zijn screams uitbraakt, doen denken aan een band als Dysangelium. De zwaar ronkende basgitaar, die duidelijk hoorbaar is in al het geweld, eist de laatste noten van deze sterke song op. “The mass of flesh” en “The golden shrines” liggen goed in het gehoor en klinken vertrouwd doordat er de nodige Dissection/Watain-worship te detecteren valt. De band klinkt op haar best wanneer ze de nodige atmosfeer toevoegt over de denderende blasts en dodelijke riffs. Malakhim laat geen verfrissende of vernieuwende dingen horen, maar weet wel de beste elementen uit Zweedse black metal en de orthodoxe stroming samen te voegen tot goed geschreven songs die vakkundig uitgevoerd worden. Een nieuwe EP zou al in de maak zijn. Jochei!

JOKKE: 85/100

Malakhim – Demo I (Iron Bonehead Productions 2017)
1. A thousand burning worlds
2. The mass of flesh
3. The golden shrines